De eerste plaats, de zevende vrijstad


12 Wie iemand zó slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden.

13 Maar voor het geval dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten.

14 Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt en hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven.

Exodus 21 : 12-14

Ik zorg voor een plaats. Dat is God ten voeten uit (Exodus 33:21). Bij God is er altijd een plaats. Hij heeft nog maar net Zijn wet aan Mozes gegeven: U zult niet doden (Exodus 20:13), of Hij voorziet ook in een plaats waar een schuldige terecht kan. Nog voordat er één vrijstad is, is er plaats bij het altaar.

Een doodslager moest de hoornen van het altaar vastgrijpen. Die hoornen zaten onder het bloed (Exodus 29:12). Daarmee gaf de schuldige aan een beroep te doen op de vergeving, op de verzoening. Er waren vier hoornen op de hoeken van het altaar. Van welke kant je ook kwam, genade wordt je aangeboden.

Later stond het altaar in Jeruzalem. Zo werd Jeruzalem de zevende vrijstad. Ook Jeruzalem lag op een berg, de berg Moria. Het altaar werd vastgegrepen door Joab, de generaal van David (1 Koningen 2:28-29). Maar hij had meer dan één moord gepleegd. Daarom moest hij alsnog gedood worden.

Jeruzalem is een bijzondere vrijstad. Daar woonde God zelf in de tempel. Daar werd Jezus gedood, geofferd. Hij was onschuldig, maar wilde onze schuld dragen. Als een Hogepriester. In die stad zal Hij opnieuw komen en recht spreken en gerechtigheid doen, en Jeruzalem zal genoemd worden: DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID. (Jeremia 33:14-16). Onthoud dit: Ik zorg voor een plaats, zegt God. Ook voor jou is er plaats.