Goede moed van Kaleb: onoverwinnelijk


En daarvandaan trok hij op tegen de inwoners van Debir. De naam van Debir was vroeger Kirjath-Sefer. En Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal verslaan en het zal innemen, die zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.

Richteren 1:11-12

“Ik heb de wereld overwonnen.” Wat bedoelde de Heere Jezus met de wereld? De wereld, dat zijn Kirjath-Arba en Kirjath-Sefer! De stad van de koning en de stad van de cultuur.

Vanzelfsprekend werd Kirjath-Sefer goed bewaakt. Met de bewoners van het land, de reuzen, hebben we al kennis gemaakt. Maar nog niet alles is daarover gezegd. Dat het goddeloze reuzen waren weten we. En hoe goddeloos waren ze? Was dat voor God een reden om hen te vernietigen? Deze reuzen worden Enakieten genoemd. Het waren Kanaänieten, nakomelingen van Kanaän, de kleinzoon van Noach. Deze kleinzoon was door Noach vervloekt. We lezen in Genesis dat er zowel voor als na de zondvloed reuzen op de aarde waren. Deze reuzen zijn waarschijnlijk het nageslacht uit het samenkomen van mensen en gevallen engelen. Echt een duivelsgeslacht. Hun steden waren broedplaatsen van ellende. De woonplaats van de Satan.

Wie deze steden wilde overwinnen, moest over grote kracht beschikken. Wie is daartoe in staat? Dat is ook de vraag die Kaleb stelt. Het veroveren van de stad is zo belangrijk, dat Kaleb er zijn dochter beloofd. Nee, hij geeft zijn dochter niet zo maar weg, er moet een bovenmenselijke inspanning voor gepleegd worden.

Zonder God mis je je doel. Dat is zonde. Een christen kent innerlijke strijd. Want God en Baäl gaan niet samen. En de cultuur van de wereld is voor een christen als leven in het buitenland: uit-landig, ellendig. Hoe overwin je en kom je tot je doel? Daar is bovenmenselijke kracht voor nodig. En je begrijpt nu vast wel: jij en ik hebben Jezus nodig!