Op leven en dood


25 De gemeenschap moet hem die een doodslag begaan heeft, redden uit de hand van de bloedwreker, en de gemeenschap moet hem laten terugkeren naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was. Dan moet hij daar blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.

Numeri 35

Met de bloedwreker op zijn hielen is de doodschuldige naar de vrijstad gevlucht. Op leven en op dood. In de poort is hij ondervraagt door de oudsten van de gemeenschap. Zij oordeelden dat hij de waarheid sprak en hebben hem een plek gegeven in de vrijstad. Het leven is hem gelaten, maar zijn vrijheid is beperkt tot de stad. Zou hij één stap buiten de stadspoort zetten en de bloedwreker vond hem, het zou zijn dood zijn.

De schuldige is écht vrij als de hogepriester sterft. Bijzonder is dat. De dood van de één wordt de vrijheid van de ander. Maar het is niet zo maar iemand, het is de hogepriester. De gezalfde met heilige olie (Exodus 29:7, 21). Voor deze olie bestond maar één recept en het mocht niet nagemaakt worden (Exodus 30:25, 31-33). Aaron, de eerste hogepriester [1] was gezalfd met de heilige olie en met bloed van het altaar. Want zonder bloedstorting is er geen vergeving mogelijk (Hebreeen 9:22). Zie je, daarom was de dood van de hogepriester de vrijheid voor de levende! Nu is hij niet alleen vrij, nee, ook zijn schuld is betaald en vergeven. Eindelijk gerechtigheid!

Jezus is onze Hogepriester (Hebreeen 2:17). Hij is de Messias, de Christus. Dat betekent: Gezalfde. Zijn dood bracht de vrijheid voor de levenden (Hebreeen 9:11-12). Daarom zegt Hij ook: Ik ben het Leven! Zijn bloed reinigt van alle zonden! Ook die van jou.



[1] In Num. 35 wordt de ‘hogepriester’ voor het eerst in de Bijbel genoemd. Voor dit hoofdstuk gaat het over de priester Aaron, of hij die de grootste is onder zijn broeders. Het verband met de vrijstad is dus heel belangrijk.